 |
       |
|
Als zich binnen een groep van vijftien mannen gedurende duizend maandagavonden dezelfde handelingen afspelen, mag je spreken van een ritueel. Rond de klok van half negen gaan koffers open, worden mondstukken op halzen gezet, drentelt een saxofonist nerveus rond, inhaleert een trompettist valse lucht, rinkelt een bekken, schuift de dirigent zijn partituren van links naar rechts over de tafel, laat een tubaspeler zijn vingers over de rammelende pistons dansen en beginnen de trombonisten een gesprek alsof ze elkaar weerzien na een jarenlange scheiding. Kortom het geroezemoes in het repetitielokaal wordt luider en luider alsof er sprake is van grote opwinding.
En dan onhoorbaar maar dwingend gaan een paar armen de lucht in en klinkt het geluid van twee knippende vingers. Een fractie van een seconde vult de ruimte zich met een rustgevende zaligheid van stilte, en dan als een schot dat het sein geeft voor de aanval, klinkt de eerste noot, cruciaal voor het verdere verloop van de avond. Krijgen we de geest? Waait er een milde zomerbries over de katoenvelden van Summertime? Herleven de hippie-jaren met California Dreaming? Slagen we er in om strijdlust te laten doorklinken met La Campana? U begrijpt, er gaat wat om in zo'n band.
|
|
| |
|
|